Onderzoek naar seksuele vorming op de basisschool: wat weten we echt?
Wat zegt onderzoek over seksuele vorming op de basisschool? Over effectstudies, de WHO-standaarden, Cochrane en UNESCO, en de blinde vlek rond gender bij jonge kinderen.

Wie zoekt naar onderzoek naar seksuele vorming op de basisschool, krijgt al snel twee tegengestelde boodschappen te horen. Voorstanders zeggen dat de lessen ‘wetenschappelijk onderbouwd’ zijn en kinderen weerbaarder maken. Critici zeggen dat er helemaal geen bewijs is en dat de WHO kleuters wil leren masturberen. Allebei de kampen hebben een stukje gelijk en allebei laten ze iets weg. Dit artikel zet op een rij wat de wetenschap wél en níet weet, zodat u als ouder zelf kunt wegen.
Waar hebben we het over: drie soorten bewijs
Het woord ‘onderzoek’ dekt in dit debat drie heel verschillende dingen. Ten eerste is er effectonderzoek: meet je bij kinderen die de lessen kregen iets anders dan bij kinderen die ze niet kregen? Ten tweede zijn er theoretische onderbouwingen: is het programma logisch opgebouwd volgens wat we weten over kinderontwikkeling en gedragsverandering? Ten derde is er monitoringonderzoek: hoeveel scholen doen wat, en wat vinden schoolleiders en ouders ervan? Alleen de eerste soort zegt iets over of een lespakket werkt. De tweede en derde soort worden in de discussie regelmatig gepresenteerd alsof ze dat ook doen.
Dat onderscheid is in Nederland geformaliseerd. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en het RIVM beoordelen jeugdinterventies op een ladder: ‘goed beschreven’, ‘goed onderbouwd’, ‘effectief volgens eerste aanwijzingen’, ‘effectief volgens goede aanwijzingen’ en ‘effectief volgens sterke aanwijzingen’. Pas vanaf de derde trede is er daadwerkelijk bij kinderen gemeten. Wie dus leest dat een methode ‘erkend’ is, moet altijd doorvragen: op welke trede?
Wat Rutgers’ eigen onderzoek wel en niet laat zien
Het lespakket ‘Kriebels in je buik’, de ruggengraat van de Week van de Lentekriebels, staat in de interventiedatabank van het NJi met de erkenning ‘Goed onderbouwd’ (16 februari 2023). Dat is de tweede trede. De databank is daar zelf helder over: de interventie is ‘niet onderzocht op effectiviteit. Het is dan ook niet bekend of de interventie werkt’. De erkenningscommissie prijst de doorlopende leerlijn van 56 lessen van 45 tot 50 minuten, de goede lesopbouw en het feit dat het materiaal actueel en op de Nederlandse situatie gericht is. Maar een gerandomiseerde vergelijking tussen klassen met en zonder deze lessen bestaat niet. Op het moment van schrijven staat de erkenning bovendien ‘in herbeoordeling’.
Dat is relevant, omdat in de praktijk vaak anders wordt gecommuniceerd. In een veelgestelde-vragendocument van de CED-Groep over ‘Kriebels in De Vreedzame School’ (2021) wordt het pakket bijvoorbeeld de ‘effectieve methode’ van Rutgers genoemd, ‘op effect onderzocht’ en ‘effectief bevonden’. De NJi-databank zegt het tegenovergestelde. Voor ouders is het goed om te weten dat ‘onderbouwd’ en ‘effectief bewezen’ in dit veld door elkaar worden gebruikt, ook door professionals.
Wat Rutgers wél degelijk heeft, is monitoringonderzoek. In 2020 bevroeg Rutgers samen met DUO Onderwijsonderzoek ruim 400 schoolleiders: 98 procent van de basisscholen gaf enige vorm van seksuele voorlichting, 40 procent gebruikte een erkende lesmethode en één op de drie scholen besteedde geen specifieke aandacht aan seksuele diversiteit. In het vervolgonderzoek van maart 2025, onder 426 schoolleiders, meldde 46 procent in het afgelopen jaar weerstand van ouders te hebben ervaren, tegen 19 procent in 2022. Deelname aan de Week van de Lentekriebels daalde in die periode van 43 naar 36 procent. Dit zijn waardevolle cijfers over bereik en draagvlak, maar ze zeggen niets over wat de lessen met kinderen doen.
Ook het RIVM publiceerde in juni 2023 een evaluatie van de stimuleringsregeling Gezonde School voor het thema relaties en seksualiteit, onder 567 scholen van basis- tot mbo-onderwijs. 23 procent van de scholen rapporteerde minder incidenten rond grensoverschrijdend gedrag en 92 procent vond dat leerlingen respectvoller met seksualiteit omgingen. Let op de formulering: dit zijn inschattingen van scholen zelf, zonder controlegroep. Het is een signaal, geen bewijs van oorzaak en gevolg.
Het beste Nederlandse bewijs komt uit het voortgezet onderwijs
Er is in Nederland één relationeel-seksueel lespakket dat de hogere treden van de erkenningsladder heeft bereikt: ‘Lang Leve de Liefde’ voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs (Soa Aids Nederland en Rutgers), erkend als ‘Effectief volgens goede aanwijzingen’ (april 2021). De onderbouwing daarvan is een cluster-gerandomiseerd onderzoek van Hofstetter en collega’s (2014) op 53 scholen met 4.623 leerlingen. De uitkomsten zijn bescheiden maar echt: op korte termijn meer kennis over seksuele gezondheid en een realistischer inschatting van soa-risico, en na acht maanden nog steeds een sterkere intentie om condooms te gebruiken.
Dit onderzoek gaat over dertien- tot vijftienjarigen en over uitkomsten als condoomgebruik. Het zegt niets over kleuters en niets over thema’s als genderidentiteit. Toch wordt de kwalificatie ‘bewezen effectief’ in het publieke debat regelmatig over de hele Nederlandse aanpak van seksuele vorming heen gelegd, inclusief het basisonderwijs. Dat is een extrapolatie, geen bevinding.
Rutgers en Soa Aids Nederland zijn hier zelf eerlijk over in het ‘Wat werkt’-dossier dat zij in 2022 in opdracht van het RIVM schreven. Dat dossier gaat over jongeren van 12 tot 21 jaar en stelt letterlijk: ‘Het is nog onduidelijk wat het beste startmoment is voor het geven van relationele en seksuele vorming’ en ‘Er is nog geen kwalitatief goed onderzoek uitgevoerd naar het langere termijn effect van RSV bij start op een jonge leeftijd.’ De conclusie van de auteurs: ‘we weten nog onvoldoende wat het ideale startmoment is’. Dat is precies de vraag die veel ouders van kleuters bezighoudt.
De internationale literatuur: brede vorming versus onthouding
Internationaal is de tegenstelling tussen comprehensive sexuality education (CSE, brede relationele en seksuele vorming) en abstinence-only (onthouding tot het huwelijk) uitgebreid onderzocht, vooral in de Verenigde Staten. Hier is de stand van de wetenschap behoorlijk eenduidig. Santelli en collega’s concludeerden in 2017 in het Journal of Adolescent Health dat abstinence-only-programma’s de eerste geslachtsgemeenschap niet uitstellen en het aantal partners, condoomgebruik, soa’s of zwangerschappen niet gunstig beïnvloeden. UNESCO stelt op basis van haar evidence reviews dat brede seksuele vorming de leeftijd van het eerste seksuele contact juist uitstelt en het gebruik van condooms en anticonceptie verhoogt, en dat programma’s die alleen onthouding promoten daarin niet slagen.
De ‘International Technical Guidance on Sexuality Education’ (2018), uitgegeven door UNESCO samen met UNAIDS, UNFPA, UNICEF, UN Women en de WHO, is op dat bewijs gebouwd. Goldfarb en Lieberman zetten in 2021 drie decennia onderzoek op een rij: van ruim 8.000 artikelen bleven er 80 over die ook naar andere uitkomsten keken dan zwangerschap en soa’s. Zij vonden aanwijzingen voor effecten op het herkennen en melden van seksueel misbruik, op het voorkomen van geweld in relaties en op het accepteren van seksuele diversiteit, en stellen dat vorming het meest effectief is als ze vroeg begint, vóór kinderen seksueel actief worden.
De tegenstem: Cochrane
Daartegenover staat een Cochrane-review uit 2016 van Mason-Jones en collega’s, die als eerste alleen keek naar biologisch gemeten uitkomsten (hiv, soa’s en zwangerschappen) in plaats van naar wat jongeren zelf rapporteren. Op basis van acht gerandomiseerde onderzoeken met ruim 55.000 deelnemers concludeerden zij dat ‘onderwijsprogramma’s alleen waarschijnlijk geen effect hebben’ op het aantal hiv-infecties, soa’s of zwangerschappen. Programma’s die jongeren met schooluniformen of kleine geldbedragen op school hielden, lieten wel minder tienerzwangerschappen zien. Dit onderzoek is uitgevoerd in Afrika, Latijns-Amerika en Europa en gaat over tieners, niet over basisschoolkinderen. Maar het is een nuttige herinnering dat kennis en intenties niet automatisch gedrag worden.
Belangrijk om te zien: vrijwel dit hele internationale bewijs gaat over adolescenten en over uitkomsten als soa’s, zwangerschap en condoomgebruik. Voor het Nederlandse basisonderwijs, waar het gaat om weerbaarheid, lichaamskennis en grenzen bij vier- tot twaalfjarigen, is de bewijsbasis veel dunner. Dat is geen argument tegen die lessen; het is wel een argument tegen het woord ‘bewezen’.
De WHO-standaarden van 2010 en de leeftijdsmatrix
De ‘Standards for Sexuality Education in Europe’ (2010) van het WHO-Regiokantoor voor Europa en het Duitse BZgA zijn het document waar Rutgers en veel andere Europese organisaties zich op beroepen. Het is uitdrukkelijk ‘a framework for policy makers, educational and health authorities and specialists’, geen lesmethode. Het hart van het document is een matrix met zes leeftijdsgroepen (0-4, 4-6, 6-9, 9-12, 12-15 en 15 jaar en ouder) en per groep onderwerpen op het niveau van informatie, vaardigheden en houdingen.
De kritiek richt zich vooral op de jongste kolom. In de matrix voor 0-4 jaar staat onder het thema ‘Sexuality’ dat kinderen informatie krijgen over ‘enjoyment and pleasure when touching one’s own body, early childhood masturbation’, dat ze ‘gain an awareness of gender identity’ en onder ‘Sexuality and rights’ dat ze ‘the right to explore gender identities’ hebben. Deze formuleringen staan er echt; wie zegt dat ze verzonnen zijn, heeft het document niet gelezen. Tegelijk is de context belangrijk. De groep 0-4 beschrijft wat ouders en kinderopvang kunnen doen, niet wat een basisschool doet (die begint bij 4 jaar). De auteurs schrijven dat de leeftijdsgrenzen ‘in a flexible way’ gebruikt moeten worden en dat de matrix minimale onderwerpen aanwijst waar landen zelf een curriculum van maken. Dat de WHO ‘kleuters wil leren masturberen’ is dus een karikatuur; dat de matrix ‘genderidentiteit’ al bij 0-4 jaar noemt, is een feit.
Minstens zo belangrijk: de WHO-standaarden zijn een consensusdocument van deskundigen, geen samenvatting van effectonderzoek. De leeftijdskeuzes zijn ontwikkelingspsychologisch beredeneerd, niet empirisch getoetst. Het ‘Wat werkt’-dossier van Rutgers zelf noemt de standaarden als bron voor het advies om vóór het zesde jaar te beginnen, en constateert in dezelfde alinea dat goed onderzoek naar dat startmoment ontbreekt. Wie de WHO-standaarden als ‘de wetenschap’ presenteert, verwart een richtlijn met bewijs.
Wat juist niet goed onderzocht is: gender bij jonge kinderen
De grootste blinde vlek in het onderzoek zit precies op het punt waar in 2023 de meeste ophef over ontstond: lessen over genderidentiteit aan jonge kinderen. In het lespakket van Rutgers valt gender onder het thema sociaal-emotionele ontwikkeling, met ‘gendergelijkheid en seksuele diversiteit’. Wat er per groep precies in staat, beschrijven we in ons artikel over gender in de Lentekriebels-lessen. De vraag hier is een andere: is onderzocht wat zulke lessen doen met vier- tot achtjarigen?
Het eerlijke antwoord is nee. De SLO-leermiddelenanalyse uit 2014 stelde al vast dat in lespakketten voor het basisonderwijs ‘transgender minder voorkomt en interseksualiteit geheel niet’; sindsdien is de aandacht voor gender in lesmateriaal toegenomen, maar effectonderzoek naar die specifieke onderdelen bij jonge kinderen is er niet. Goldfarb en Lieberman vonden positieve effecten van ‘gendertransformatieve’ programma’s op het loslaten van starre gendernormen, maar dat onderzoek gaat over gelijkwaardigheid tussen jongens en meisjes bij oudere leerlingen, niet over het aanleren van het concept genderidentiteit aan kleuters.
De Cass Review en sociale transitie
Het meest gezaghebbende recente document over dit terrein is de Cass Review, de ‘Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People’, die op 10 april 2024 haar eindrapport uitbracht aan de Engelse NHS. Onderdeel daarvan was een systematische review door de Universiteit van York (Hall en collega’s, Archives of Disease in Childhood, 2024) naar sociale transitie: het aannemen van een andere naam, kleding of voornaamwoorden zonder medische stappen. De onderzoekers vonden elf studies, acht over kinderen en drie over adolescenten, waarvan de meeste van lage kwaliteit. Bij kinderen rapporteerden de studies ‘consistently no difference in mental health outcomes’ tussen wel en niet sociaal getransitioneerde kinderen; bij adolescenten was het beeld gemengd. Hun conclusie: er zijn ‘no prospective longitudinal studies with appropriate comparator groups’ en professionals moeten uitgaan van ‘the absence of robust evidence of the benefits or harms of social transition’.
Cass noemt sociale transitie daarom een ‘active intervention’ en niet iets neutraals, en adviseert bij kinderen vóór de puberteit een voorzichtiger aanpak met klinische betrokkenheid. Het rapport is niet onomstreden: onder anderen de Yale Law School Integrity Project en de WPATH bekritiseerden in 2024 de methodologie en de conclusies. Maar over één kernpunt is weinig discussie: het bewijs over sociale transitie bij jonge kinderen is dun. Hoe sociale transitie op scholen precies verloopt, leest u bij onze zustersite watissocialetransitie.nl.
Wat betekent dit voor de Lentekriebels-lessen? Direct weinig: de Cass Review gaat over zorg, niet over onderwijs, en de lessen van Rutgers zijn geen sociale transitie. Indirect wel iets. Als het bewijs over wat sociale transitie met kinderen doet zo mager is, kan niemand met zekerheid zeggen wat lessen die het concept genderidentiteit bij jonge kinderen introduceren wel of niet uitlokken. Dat is een open vraag, en het is intellectueel eerlijker om haar open te laten dan haar in beide richtingen dicht te praten.
Hoe u als ouder onderzoek weegt
Ouders hoeven geen methodologen te worden om claims te kunnen wegen. Een paar vragen helpen al veel.
- Over wie gaat het onderzoek? Tieners in het voortgezet onderwijs of kinderen in groep 1 tot en met 4? Bewijs voor de ene groep is geen bewijs voor de andere.
- Wat is gemeten? Kennis en intenties (makkelijk te meten, vaak positief) of gedrag en welzijn op langere termijn (zeldzaam gemeten)?
- Was er een controlegroep? Een school die zelf rapporteert dat het ‘beter gaat’ sinds de lessen, is iets anders dan een vergelijking met scholen zonder die lessen.
- Wie betaalde en wie voerde uit? Onderzoek van een ontwikkelaar naar het eigen pakket is niet per definitie fout, maar vraagt om onafhankelijke replicatie.
- Is het een richtlijn of een meting? De WHO-standaarden en de UNESCO-guidance zijn richtlijnen van deskundigen; een Cochrane-review of een RCT is een meting.
- Welke trede op de NJi-ladder? ‘Goed onderbouwd’ betekent: logisch opgebouwd, nog niet getoetst.
Met die vragen in de hand kunt u ook de alternatieve lespakketten beoordelen die scholen gebruiken; die bespreken we in ons overzicht van alternatieven voor Lentekriebels. Spoiler: ook Veiligwijs en Wonderlijk Gemaakt zijn niet op effect onderzocht. Dat geldt voor vrijwel het hele veld van relationele en seksuele vorming in het Nederlandse basisonderwijs.
Weging: wat weten we nu echt?
Samengevat is dit de stand van de wetenschap. Brede relationele en seksuele vorming voor tieners is internationaal goed onderzocht en levert meetbare winst op in kennis, houdingen en veiliger gedrag; onthoudingsprogramma’s doen dat niet. Of die lessen ook harde uitkomsten als soa’s en zwangerschappen beïnvloeden, is minder zeker dan vaak wordt gezegd. Voor basisschoolkinderen is het bewijs vooral theoretisch: de Nederlandse lespakketten zijn zorgvuldig opgebouwd en door een onafhankelijke commissie ‘goed onderbouwd’ bevonden, maar geen enkel pakket is op effect getoetst, en over het ideale startmoment bestaat volgens Rutgers zelf geen goed onderzoek. Voor genderidentiteit bij jonge kinderen ontbreekt onderzoek vrijwel geheel, en het beste beschikbare bewijs over sociale transitie (de Cass Review) laat zien hoe weinig we weten.
Dat is geen reden voor paniek en ook geen vrijbrief. De doelen van de lessen, kinderen leren hun lichaam kennen, grenzen aangeven en respectvol omgaan met verschillen, staan niet ter discussie en zijn in kerndoel 38 verankerd. Wat ter discussie mag staan, is de stelligheid waarmee ‘wetenschappelijk onderbouwd’ wordt gezegd, en de keuze om onderwerpen waarvan de effecten onbekend zijn al vroeg in de leerlijn op te nemen. Wat er in 2023 wel en niet klopte aan de ophef daarover, leest u in ons dossier over de ophef van 2023. Welke mogelijkheden u als ouder hebt, staat in het artikel over uw rechten. Meer onderzoek en alternatieven vindt u in de categorie Onderzoek en alternatieven.
Bronnen
- Nederlands Jeugdinstituut (2023). Kriebels in je buik. Databank Effectieve Jeugdinterventies, erkenning ‘Goed onderbouwd’ (16 februari 2023). nji.nl.
- Rutgers & Soa Aids Nederland (2022). Wat werkt dossier: school-gebonden interventies ter bevordering van de seksuele gezondheid en het seksueel welzijn van jongeren. In opdracht van het RIVM, Loket Gezond Leven.
- WHO Regional Office for Europe & BZgA (2010). Standards for Sexuality Education in Europe: a framework for policy makers, educational and health authorities and specialists. Keulen: BZgA.
- UNESCO, UNAIDS, UNFPA, UNICEF, UN Women & WHO (2018). International technical guidance on sexuality education: an evidence-informed approach. Parijs: UNESCO.
- Mason-Jones, A.J. e.a. (2016). School-based interventions for preventing HIV, sexually transmitted infections, and pregnancy in adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, CD006417.
- Goldfarb, E.S. & Lieberman, L.D. (2021). Three Decades of Research: The Case for Comprehensive Sex Education. Journal of Adolescent Health, 68(1), 13-27.
- Santelli, J.S. e.a. (2017). Abstinence-Only-Until-Marriage: An Updated Review of U.S. Policies and Programs and Their Impact. Journal of Adolescent Health, 61(3), 273-280.
- Hall, R., Taylor, J., Hewitt, C.E. e.a. (2024). Impact of social transition in relation to gender for children and adolescents: a systematic review. Archives of Disease in Childhood (Cass Review, University of York). Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report.
Redactie Lente-kriebels.nl
Onafhankelijke redactie die ouders rustig en met bronnen informeert over de Week van de Lentekriebels en seksuele vorming op de basisschool. Informatief, geen juridisch of pedagogisch advies. Laatst bijgewerkt op 28 augustus 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

